Datec

VKP Samenvatting

artikel IPDE score
artikel VKP en NVM
artikel VKP en IPDE
artikel ontwikkeling VKP
artikel VKP en Big 5
Proefschrift
artikel TCI en VKP
artikel VKP bij COPD patiënten
artikel VKP bij Franse Ouderen
artikel VKP bij vrouwen met heimwee
artikel VKP bij militairen met heimwee
artikel VKP voor het vergelijker van afdelingen
artikel VKP klachten en coping bij patiënten
artikel VKP en sexueel misbruikte vrouwen
artikel overeenstemming VKP, MMPI en de klinische diagnose
artikel VKP en depressie
artikel VKP bij epilepsiepatiënten

"IPDE score", a computer program for scoring and reporting the IPDE interview.

Duijsens, I.J., Eurelings-Bontekoe, E.H.M. & Diekstra, R.F.W. (1994).  In Maarse F.J., Akkerman A.E., Brand, A.N., Mulder, L.J.M. & Van der Stelt (eds.). Computers in Psychology: Applications, Methods and Instrumentation (pp 19-29). Lisse: Swets & Zeitlinger.

Het doel van dit hoofdstuk is het introduceren van "IPDE interactief", een interactief computerprogramma voor het IPDE interview. Dit computerprogramma, ontwikkeld door Duijsens, bevat verschillende specifieke gebruikers-georiënteerde en tijdbesparende kenmerken. Het programma is ontwikkeld voor de volgende doeleinden: a) om de complexe scoring van het IPDE interview uit te voeren; b) om de verkregen informatie op een overzichtelijke manier te presenteren en te rapporteren ; c) om interactief interviewen mogelijk te maken; d) om vragen aan te bieden die alleen tot bepaalde geselecteerde stoornissen behoren. Als bijvoorbeeld een gediagnostiseerde stoornis definitief is geworden, kunnen verdere vragen die tot de betreffende stoornis behoren automatisch worden overgeslagen.

DSM-III-R and ICD-10 personality disorders and personality dimensions as assessed by the dutch short form of the MMPI: preliminary results.

Eurelings-Bontekoe, E.H.M, Duijsens, I.J, Snellen, W.M., Diekstra, R.F.W. & Ouwersloot, G. (1995). Personality and Individual Differences, 18, 231-239.

Dit artikel is gericht op de relatie tussen zowel categoriale als dimensionele metingen van persoonlijkheidsstoornissen, gemeten met een op de DSM-III-R en ICD-10 gebaseerde vragenlijst, en onderliggende dimensies van de persoonlijkheid, gemeten met de Nederlandse Verkorte MMPI. Uit onderzoek blijkt een nogal zwakke overeenstemming tussen persoonlijkheidsdimensies en dimensionele metingen van persoonlijkheidsstoornissen. Significante correlaties variëren tussen 0.33 (correlatie tussen extraversie en narcistische symptomen) en 0.63 (correlatie tussen verlegenheid en vermijdende symptomen). De dimensie negativisme, die overeenkomst vertoont met Eysenck's concept van neuroticisme, lijkt samen te hangen met de meerderheid van de persoonlijkheidsstoornissen. De aard van de samenhang tussen metingen van persoonlijkheidstrekken en persoonlijkheidsstoornissen lijkt te suggereren dat voor een aantal patiënten stoornissen of symptomen uit het C (angstige) cluster beschouwd dienen te worden als een functionele karakterologische verdediging tegen onderliggende desintegrerende tendensen. Omgekeerd, zouden neurotische trekken als verlegenheid en somatisering beschouwd kunnen worden als functioneel en defensief in een aantal schizotypische en borderline patiënten. Er kan geconcludeerd worden dat inzicht in de relatie tussen latente en manifeste karakteristieken van de persoonlijkheid van klinische betekenis kan zijn met betrekking tot de keuze voor de meest adequate behandelingsmethode en dat beide vormen van diagnostiek elkaar lijken aan te vullen op een klinisch bruikbare manier.


Agreement between self-report and semi-structured interviewing in the assessment of personality disorders.

Duijsens, I.J., Bruinsma, M., Jansen, S.J.T., Eurelings-Bontekoe, E.H.M. & Diekstra, R.F.W. (1996).  Personality and Individual differences, 21, 261-270. 

In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een onderzoek waarin twee instrumenten voor de diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen vergeleken worden: de International Personality Disorder Examination (IPDE), een semi-gestructureerd klinisch interview, en de Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP), een zelfrapportage- vragenlijst. Bij 108 psychiatrische patiënten en "normalen" werden zowel IPDE interviews als VKP vragenlijsten afgenomen. De VKP lijkt, vergeleken met de IPDE, het voorkomen van persoonlijkheidsstoornissen te overschatten: de frequenties van persoonlijkheidsstoornissen is ongeveer 2.5 keer hoger bij meting met de zelfrapportage-vragenlijst. De gemiddelde kappa's voor DSM and ICD stoornissen zijn laag, respectievelijk 0.25 and 0.26. Deze gemiddelde kappa's zijn alleen berekend bij een positieve DSM en ICD stoornis baserate van tenminste 5%. De sensitiviteit van de VKP is 100% voor 8 van de 22 stoornissen. Voor 15 van de 22 stoornissen, is de specificiteit van de VKP redelijk tot hoog (alpha 0.80). Met de waarschijnlijke en de positieve diagnoses van de VKP gezamenlijk wordt 87% van de positieve IPDE diagnoses gevonden. Op dimensioneel niveau worden hoge correlaties gevonden tussen de overeenkomstige schalen van de IPDE en de VKP, en lage correlaties tussen schalen die andere concepten meten. Dit wijst op een redelijke convergente en discriminante validiteit. Gebaseerd op de resultaten van deze studie kan geconcludeerd worden dat de VKP een geschikt instrument lijkt voor de screening van de meeste DSM-III-R en ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen.

The VKP, a self-report instrument for DSM-III-R and CD-10 personality disorders: construction and psychometric properties.

Duijsens, I.J., Eurelings-Bontekoe, E.H.M. & Diekstra, R.F.W. (1996).  Personality and Individual Differences, 20 (2), 171-182.

In dit artikel wordt de ontwikkeling van de VKP, een zelfrapportage-vragenlijst voor de diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen beschreven. Voor de scoring en rapportage van deze lijst is een computerprogramma ontwikkeld, dat tevens de mogelijkheid biedt om cliënten zelf achter het scherm de lijst te laten invullen. Onderzoek met 1056 proefpersonen, waaronder 366 psychiatrische patiënten, toonde aan dat het voorkomen van alle specifieke DSM-III-R en ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen veel hoger is voor patiënten dan voor "normale" proefpersonen. De gemiddelde interne consistentie coëfficiënt voor alle proefpersonen bedroeg 0.66 voor DSM-III-R en 0.64 voor ICD-10. Voor 69 ambulante patiënten is de temporele stabiliteit van de zelfrapportage-vragenlijst onderzocht. Test-hertest onderzoek met een gemiddelde tijdsinterval van 221 dagen (SD = 123.6; range 26-466 dagen), gaf aan dat de dimensionele schaalscores redelijk stabiel zijn (DSM-III-R: gemiddeld r = 0.62; ICD-10: gemiddeld r = 0.56). De overeenkomstige diagnoses volgens het DSM-III-R en het ICD-10 systeem vertonen slechts een matige samenhang.

DSM-III-R and ICD-10 personality disorders and their relationship to the big five dimensions of personality.

Duijsens, I.J. & Diekstra, R.F.W. (1996). Personality and Individual Differences, 21, 119-133.

In dit artikel wordt voor het eerst gepubliceerd over een onderzoek naar de empirische relatie tussen de Big Five dimensies van de persoonlijkheid volgens zowel ICD-10 als DSM-III-R symptomen van persoonlijkheidsstoornissen in twee steekproeven van "normale" vrijwilligers. Tussen de scores op twee verschillende Big Five vragenlijsten en het aantal symptomen van persoonlijkheidsstoornissen (bevestigde criteria) gemeten met een zelfrapportage-vragenlijst (VKP) werden correlaties berekend. Deze vragenlijsten zijn de 23BB5: the 23 bipolar Big Five en de 5PFT: the Five Personality Factor Test. Verder hebben we onze resultaten vergeleken met alle studies die we in de literatuur konden vinden (12 in totaal), welke correlaties rapporteerden tussen de Big Five dimensies en persoonlijkheidsstoornis symptomen volgens DSM-III-(R) alleen. Er werd geconcludeerd dat: a) onze studie uniek was, omdat voor de eerste de samenhang met ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen en Big Five dimensies werd onderzocht; b) de verschillen die in de relaties werden gevonden tussen ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen symptomen en DSM-III-R persoonlijkheidsstoornissen relatief klein zijn; c) daaruit volg dat in termen van onderliggende persoonlijkheidsdimensies de criteria van beide systemen ongeveer gelijk zijn.

The assessment of personality disorders: construction, reliability and validity of the VKP self-report.

Duijsens, I.J. (1996).  Leiderdorp: Datec. 190 pag. (handelseditie).

Bij de Sectie Klinische, Gezondheids- en Persoonlijkheidspsychologie van de Universiteit te Leiden is onderzoek naar de validiteit en betrouwbaarheid van de VKP uitgevoerd (gebaseerd op DSM-III-R en ICD-10). Dit onderzoek wordt beschreven in dit proefschrift.

Samengevat worden de volgende onderzoeken/resultaten beschreven:

- Een onderzoek met 1056 proefpersonen, waaronder 366 psychiatrische patiënten, toonde aan dat het voorkomen van alle specifieke DSM-III-R en ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen gemeten met de VKP veel hoger is voor patiënten dan voor "normale" proefpersonen (Duijsens, Eurelings-Bontekoe & Diekstra, 1996). De interne consistentie van de schalen was vergelijkbaar met andere op criteria gebaseerde instrumenten: gemiddeld .66 voor DSM en .64 voor ICD-10. De temporele stabiliteit is redelijk .

- Het tweede onderzoek is een studie bij 108 psychiatrische patiënten en "normalen" waarbij zowel IPDE interviews als VKP vragenlijsten afgenomen werden (Duijsens, Bruinsma, Jansen, Eurelings-Bontekoe & Diekstra, 1996). De VKP lijkt, vergeleken met de IPDE, het voorkomen van persoonlijkheidsstoornissen te overschatten. Er worden vergeleken met de IPDE, met de VKP 2,5 keer zoveel stoornissen gediagnostiseerd. Bovendien wordt het aantal stoornissen per patiënt overschat met ongeveer een factor 5. Op dimensioneel niveau worden hoge correlaties gevonden tussen de overeenkomstige schalen van de IPDE en de VKP, en lage correlaties tussen schalen die andere concepten meten. Dit wijst op een redelijke convergente en discriminante validiteit. Gebaseerd op de resultaten van deze studie kan geconcludeerd worden dat de VKP een geschikt instrument lijkt voor de screening van de meeste DSM-III-R en ICD-10 persoonlijkheidsstoornissen.

- Eén studie is gericht op de relatie tussen zowel categoriale als dimensionele metingen van persoonlijkheidsstoornissen, gemeten met een op de DSM-III-R en ICD-10 gebaseerde vragenlijst en onderliggende dimensies van de persoonlijkheid, gemeten met de Nederlandse Verkorte MMPI (NVM) (Eurelings-Bontekoe, Duijsens, Diekstra, Snellen & Ouwersloot, 1995). Globaal kunnen we de resultaten als volgt interpreteren: veel bevestigde criteria voor de verschillende persoonlijkheidsstoornissen hangen samen hoge scores op negativisme (NEG), hoge scores op somatisatie (SOM), hoge scores op verlegenheid (VER) en hoge scores op psychoticisme (PSY). Met extraversie (EX) wordt er geen samenhang met persoonlijkheidsstoornissen gevonden.

- Eén studie rapporteert over de empirische relatie tussen de Big Five dimensies van de persoonlijkheid en symptomen van persoonlijkheidsstoornissen in twee steekproeven van "normale" vrijwilligers (Duijsens & Diekstra, 1996). De resultaten van dit hoofdstuk wijzen er op dat Neuroticisme karakteristiek is voor de meeste persoonlijkheidsstoornissen. Met uitzondering van de dependent persoonlijkheidstoornis hangen veel persoonlijkheidsstoornissen negatief samen met Vriendelijkheid. De schizoid en vermijdende persoonlijkheidsstoornissen correleren negatief met Extraversie. De obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis hangt als enige stoornis positief samen met Gewetensvol. Met de factor Openheid werden slechts enkele significante correlaties gevonden.


Temperament, Character and Personality disorders.

Rie, S.M. de la Rie, Duijsens, I.J. & Cloninger, C.R. (1998). Journal of Personality disorders, 12, 362-372.

Deze studie vergelijkt twee zelfrapportage instrumenten: de Nederlandse versie van Cloninger's Temperament en Karakter Vragenlijst (TCI) en de Vragenlijst voor kenmerken van de persoonlijkheid (VKP) in een Nederlandse steekproef van 148 personen uit een gezonde populatie.

De doelen van deze studies zijn om:

  1. een normgroep voor de Nederlandse TCI te krijgen;
  2. de psychometrische eigenschappen van de TCI te onderzoeken;
  3. de relatie te onderzoeken tussen Temperament en Karakter gemeten met de TCI, en persoonlijkheidsstoornissen gemeten met de VKP.

De Nederlandse TCI heeft goed interne consistentie. Sommige schalen intercorreleren. Zeven factoren kunnen geindentificeerd worden met principale componenten analyse. T-toetsen geven verschillen aan tussen de gemiddelde scores van de Nederlandse steekproef en Cloningers algemene normgroep. De resultaten van de correlaties en multiple regressies van de TCI schalen en de VKP schalen  laten zien dat vooral Self-Directedness de aanwezigheid of afwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis kan voorspellen. Andere TCI schalen kunnen mogelijk het soort persoonlijkheidsstoornis voorspellen. Er wordt geconcludeerd dat de TCI een nuttige toevoeging is aan het diagnostiseren van persoonlijkheidsstoornissen.


Personality disorders in pulmonary patients.

Bauer, H. & Duijsens, I.J. (1998). British Journal of Medical Psychology, 71, 165-173.

Een groep van 59 patiënten met astma en chronisch obstructieve pulmonaire aandoeningen werd met betrekking tot de prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen vergeleken met twee controlegroepen, te weten een groep psychiatrische patiënten en een groep normalen. De groep pulmonaire patiënten bestond uit poliklinische patiënten van een revalidatiecentrum. De groep normalen en de groep psychiatrische patiënten werden a-select getrokken uit respectievelijk de oorspronkelijke normgroep (N=690) en uit de oorspronkelijke groep psychiatrische patiënten (N=582) die gebruikt zijn voor de constructie van de VKP (Duijsens, 1996). Tussen de drie groepen werden significante verschillen gevonden, waarbij de psychiatrische groep zich door hogere dimensionele scores onderscheidde van zowel de normale als van de pulmonaire groep. Het verschil tussen de normale en de pulmonaire groep was niet significant. De resultaten van de éénweg variantie-analyses van de frequenties van diagnoses toonden een vergelijkbaar maar minder significant beeld dan de analyses voor de dimensionele scores. Zowel in termen van prevalentie van persoonlijkheidsstoornis als in termen van dimensionele scores lijken longpatiënten op 'normalen'.


Are personality disorders more frequent in early onset geriatric depression?

Camus, V. Augusto de Mendonça Lima, C., Gaillard, M., Simeone, I. & Wertheimer, J. (1997).  Journal of Affective disorders, 46, 297-302.

Een onderzoek met een Franse vertaling van de VKP afgenomen bij depressieve ouderen.

DSM-III-R and ICD-10 personality disorder features among woman experiencing two types of self-reported homesickness. An Exploratory study.

Eurelings-Bontekoe, E.H.M., Brouwer, E., Verschuur, M. & Duijsens, I.J. (1998).  British Journal of Psychology, 405-416.

Deze studie onderzocht de relatie tussen trekken van de DSM-III-R en ICD-10 persoonlijkheidstoornissen en heimwee bij drie groepen vrouwen: vrouwen met ofwel chronisch heimwee, ofwel heimwee, dat uitsluitend optreedt tijdens vakantie, en gezonde controles, die zijn gerecruteerd uit de normale populatie. Onderzocht werd of vrouwen met chronisch heimwee in sterkere mate trekken van de verschillende persoonlijkheidsstoornissen vertoonden dan vrouwen, die op het moment van testen geen heimwee hebben en gezonde controles. Bij beide typen heimwee was echter in sterkere mate sprake van de aanwezigheid van trekken van persoonlijkheidsstoornissen, in vergelijking tot controles, waarbij beide typen heimwee vooral gekenmerkt werden door trekken van de vermijdend/angstige en afhankelijke stoornissen. Daarnaast bleek dat chronische heimwee vooral gepaard ging met trekken van de passief agressieve stoornis en vakantie heimwee met sadistische trekken. Daarnaast wordt verslag gedaan van gesprekken die gevoerd zijn met 21 vrouwen met heimwee. Op basis van deze gesprekken wordt verondersteld dat voor de ontwikkeling van zowel heimwee als persoonlijkheidspathologie negatieve hechtingservaringen in de vroege jeugd mogelijk een belangrijke rol spelen.


Prevalence of DSM-III-R and ICD-10 personality disorders among military conscripts suffering from homesickness.

Eurelings-Bontekoe, E.H.M., Duijsens, I.J., Verschuur, M.J. (1996).  Personality and Individual Differences, 21, 431-440.

In deze studie worden drie groepen militairen vergeleken m.b.t. de mate van persoolijkheidspathologie. De drie groepen zijn: militairen met heimwee, militairen met andere psychische problemen, maar geen heimwee en gezonde controles. Ongeveer 58% van de militairen met heimwee vertoont sterke trekken van een persoonlijkheidsstoornis. De DSM-III-R afhankelijke, vermijdende, obsessief-compulsieve stoornis en de ICD-10 anankastische, paranoide, angstige en afhankelijke stoornissen komen significant vaker voor bij de heimweelijders, dan bij de militairen met andere psychische problemen en gezonde controles. Beide probleem groepen vertonen daarnaast meer dan de gezonde controles trekken van de dissociale stoornis. Uit multivariate analysen bleek dat heimwee vooral gepaard gaat met trekken van de obsessief-compulsieve/anankastische, afhankelijke en angstig/vermijdende persoonlijkheidsstoornissen. Kenemrkend voor heimwee is daarnaast een afwezigheid van antisociale trekken. Er wordt verondersteld dat de gevoeligheid voor het ontwikkelen van heimwee geassocieerd is met persoonlijkheidspathologie, dat op zijn beurt wordt verondersteld gerelateerd te zijn aan vroege ontwikkelingsstoornissen.


 Vergelijkbaarheid van populaties van afdelingen voor psychotherapie.

Franchimont, M.A. & Tremonti, G.W. (2001). Tijdschrift voor Psychiatrie, 10, 721-725.

Verschillende instellingen voor psychotherapie trachten door vergelijking van behandelresultaten de kwaliteit van de geboden zorg te verbeteren. Daarvoor moeten behandelafdelingen, onder meer wat betreft hun doelgroep, met elkaar vergelijkbaar zijn. Met behulp van een zelfbeoordelinglijst (VKP) is nagegaan in hoeverre afdelingen voor psychotherapie van elkaar verschillen. Daarbij werd gelet op verschillen in de ernst en het type van de persoonlijkheidsstoornissen van de patiënten. Tevens is onderzocht of de gevonden verschillen overeenkomen met de verwachtingen. Afdelingspopulaties blijken inderdaad te verschillen en de verschillen komen globaal overeen met de verwachtingen. Geconcludeerd wordt dat de VKP geschikt is om te bepalen welke klinieken min of meer identieke populaties behandelen waardoor vergelijking van behandelresultaten beter mogelijk wordt.

Psychological distress, depressive symptology, coping and DSM-III-R/ICD-10 personality disorders. A study among primary mental health care patients.

Eurelings-Bontekoe, E.H.M, van der Slikke, M & Verschuur, M.J. (1997).  Personality and Individual Differences, 23, 407-417.

Deze studie onderzoekt de relatie tussen symptomatologie, coping en persoonlijkheidspathologie bij een groep van 230 patiënten uit praktijken voor eerstelijns psychologische hulpverlening. Kenmerkend voor patiënten met persoonlijkheidspathologie is het gebruik van passieve coping, een verhoogde mate van hostiliteit en van interpersoonlijke sensitivteit. Meer in het bijzonder geldt, dat zij die schizoide, schizotypische, dissociale en vermijdende trekken vertonen, niet geneigd zijn sociale steun te zoeken. Mensen met afhankelijke en angstige trekken zijn geneigd moeilijke situaties uit de weg te gaan en hun gevoelens van boosheid niet te uiten. Multiple regressie analyses lieten zien dat hostiliteit en interpersoonlijke sensitiviteit de sterkste predictoren zijn voor persoonlijkheidspathologie. Hostiliteit hangt vooral samen met stoornissen uit het B-cluster, terwijl een verhoogde mate van interpersoonlijke sensitiviteit kenmerkend is voor stoornissen uit alle clusters. Stoornissen in het B en C cluster gaan daarnaast vooral samen met een gebrek aan actieve coping, stoornissen in vooral het A en het B cluster met een gering vermogen tot het verwerven van sociale steun. Tenslotte was kenmerkend voor alle clusters het gebruik van vooral passieve coping. Geconcludeerd wordt dat het diagnosticeren van symptomatologie en coping van belang kan zijn om in te schatten of er wellicht sprake is van persoonlijkheidspathologie, dat dan vervolgens nader kan worden onderzocht. Dit kan van belang zijn voor het verloop van de behandeling en voor eventuele doorverwijzing naar de meer gespecialiseerde tweedelijns geestelijke gezondheidszorg.


Personality disorders and personality dimensions among female patients with a history of sexual abuse: An exploratory comparison between inpatients and outpatients.

Eurelings-Bontekoe, E.H.M., Jonker, K., Wildemors, L., Verschuur, M.J. & Duijsens, I.J. (1998).  Psychiatric Care, 5 (5), 183-190.

In deze studie zijn klinisch en poliklinisch behandelde vrouwen met een geschiedenis van seksueel misbruik vergeleken met betrekking tot het vóórkomen van trekken van de verschillende persoonlijkheidsstoornissen. Daarnaast zijn ze vergeleken met betrekking tot hun scores van de verschillende subschalen van de Nederlandse Verkorte MMPI (NVM). Deze twee groepen misbruikte vrouwen werden bovendien vergeleken met een klinisch en een poliklinisch behandelde groep vrouwen uit de gemiddelde psychiatrische populatie. Uit de resultaten blijkt dat klinisch behandelde vrouwen met een verleden van seksueel misbruik aan meer ernstige persoonlijkheidspathologie lijden dan zowel poliklinisch behandelde vrouwen met een geschiedenis van sexueel misbruik als klinisch en poliklinisch behandelde vrouwelijke patiënten uit de algemeen psychiatrische populatie. De klinisch behandelde seksueel misbruikte vrouwen blijken daarnaast in grotere mate afhankelijke trekken te vertonen dan de poliklinisch behandelde misbruikte vrouwen, hetgeen bij juist de klinisch opgenomen vrouwen de kans op hospitalisatie kan vergroten. Geconcludeerd wordt dat de groep seksueel misbruikte vrouwelijke patiënten niet te beschouwen zijn als homogeen met betrekking tot de ernst en aard van de persoonlijkheidspathologie, hetgeen belangrijke implicaties kan hebben voor een behandeling.


Diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen. Een onderzoek naar de overeenstemming tussen vragenlijsten en de klinische As-II-diagnose.

Jansen, S.J.T.  & Duijsens, I.J.  (1999)  Tijdschrift voor psychiatrie, 41, 6, 373-378.

In dit onderzoek werd de overeenstemming onderzocht tussen twee vragenlijsten voor diagnostiek van persoonlijkheidstoornissen, de Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP) en de Minnesota Multiphasic Personality Inventory-Personality Disorders (MMPI-Pd). Ook werd de samenhang van beide instrumenten met de klinische diagnose onderzocht. Uit de resultaten bleek een matige samenhang tussen de overeenkomstige schalen van de twee vragenlijsten. Bovendien werd een geringe samenhang gevonden met de klinische diagnose. Deze resultaten geven aanleiding tot een discussie over het gebrek aan een ‘gouden standaard’voor de diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen

Major depression, double depression and personality disorders

Kool, S., Dekker, J., Duijsens, I.J. & de Jonghe, F. (2000). Journal of Personality disorders, 14, 274-281.

Personality disorders are much more common among depressive patients than among normal people. Until now, little research has been conducted into the prevalence of personality disorders among patients with both major depression and dysthymia (double depression). The subject of this study is whether depressive patients with dysthymia have more personality disorders than those with no dysthymia. The Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (a Dutch self-report based on the International Personality Disorder Examination) was completed for 211 outpatients with a major depression. Approximately 60% of the patients suffer from one or more personality disorders. Depressive patients with dysthymia differ little from the patients with no dysthymia, except that they have more cluster A disorders and are more avoidant. Depressive patients without dysthymia do not differ the patients with dysthymia in terms of symptoms. Depressive patients with personality disorders have significantly more symptoms than the patients without these disorders. There is no interaction between dysthymia and personality disorder.

Persoonlijkheidsstoornissen bij patiënten opgenomen in een instelling voor epilepsie

Peet, J.L.H. van der, Swinkels, W.A.M. & Duijsens, I.J. (2001).  Nederlands Tijdschrift voor Psychiatrie, 10, 683-691.

In dit onderzoek werden persoonlijkheidsstoornissen (PS) onderzocht bij 203 epilepsiepatiënten, 60 patiënten met psychogene pseudo-epilepsie aanvallen (PPEA's) en 26 patiënten met zowel epilepsie als PPEA's (combinatiegroep). De resultaten werden vergeleken met een controle groep bestaande uit 332 gezonde personen. Dit werd gedaan met de Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP). Vergeleken met de gezonde controlegroep lieten alle drie de patiëntgroepen hogere scores zien op de schizoïde PS. De epilepsiepatiënten hadden verder ook nog hogere scores op de schizotypische, antisociale, theatrale, ontwijkende, afhankelijke, passief-agressieve en depressieve PS. De patiënten met PPEA's lieten naast de hogere scores op de schizoïde PS ook nog een hogere score op de antisociale PS zien. De patiënten in de combinatiegroep scoorden hoger op de theatrale, afhankelijke, passief-agressieve en depressieve PS. Bij het vergelijken van de drie patiëntgroepen onderling liet de combinatiegroep significant hogere scores zien op de theatrale PS in vergelijking met de groep patiënten met PPEA's. Uit deze resultaten kan worden geconcludeerd dat vergeleken met de gezonde personen, met name de groep epilepsiepatiënten hogere scores halen op de meeste PS. Verder verschillen patiënten met epilepsie niet significant van patiënten met PPEA's en patiënten met een combinatie van epilepsie en PPEA's.
Copyright © 2002 Datec. All rights reserved.
Laatste verandering: 23-01-2010